De vrijgevochten bestuurder en de tegensprekende raad van toezicht
Een ragfijn spel van macht en moed? Iets over de kunst van het tegenspreken.
De vrijgevochten bestuurder en de tegensprekende raad van toezicht: een ragfijn spel van macht en moed? Iets over de kunst van het tegenspreken.
Recentelijk deed een rechtbank uitspraak in een ontslagkwestie tussen een stichting en haar bestuurder, die in een slepend conflict was verwikkeld met de raad van toezicht (RvT) van de stichting.
De bestuurder had zich steeds meer vrijheid toegeëigend. De RvT informeerde hij informeel en ad hoc over de algemene gang van zaken binnen de organisatie. Nadat de RvT qua samenstelling was vernieuwd was het gebeurd met die jarenlang opgebouwde vrijheid: de panelen gingen stilaan schuiven.
De nieuwe RvT verlangde dat de bestuurder meer ging besturen en zich minder bezig hield met allerlei operationele aangelegenheden op de werkvloer. Dat was immers het domein van het management. En om toezicht te kunnen houden moest de bestuurder door middel van (meer)jarenplannen de RvT periodiek informeren over zijn plannen met de (zorg)stichting.
De bestuurder was er niet van gediend, hij boog schoorvoetend en tactisch manoeuvrerend ietsje mee met de RvT, maar bleef toch in essentie volharden in zijn eigen koers. Hij bleef in zijn macht hangen. Maar de RvT bleef de bestuurder tegenspreken. En tegenspraak vergt moed. Maar ook diplomatieke vaardigheden om verschillen te overbruggen.
De persoonlijke verhoudingen raakten steeds meer uit het lood. Uiteindelijk besluit de RvT de bestuurder te ontslaan en de arbeidsovereenkomst op te zeggen.
Gezien de feiten waarover de rechtbank moest oordelen, dringen zich enkele vragen op. Hoe werd de tegenspraak van de nieuwe RvT eigenlijk in stelling gebracht? Lagen daar doordachte en richtinggevende uitgangspunten aan ten grondslag? En zijn die echt met de bestuurder gedeeld in het licht van zijn vrije ruimte? Wat heeft de RvT op feitenniveau precies waargenomen? Is vóór het ontslagbesluit wel door de RvT ten diepste gereflecteerd over de vraag of niet werd voortgeploegd in de karresporen van het zelf gemaakte verhaal?
Het lijken mij vragen die raken aan de manier waarop organen binnen de rechtspersoon met elkaar samenwerken, waarbij ieders rolzuiverheid ook wordt ingekleurd door bevoegdheden (statuten en besluiten!), verantwoordelijkheden, taken en doelstellingen. Het zijn ook vragen die een advocaat moet opwerpen in ontslagkwesties om te komen tot een zorgvuldig advies .
De rechtbank oordeelde dat de RvT voldoende reden had om een meer professionele en planmatige aanpak van de bestuurder te verwachten. En dat de bestuursstijl nogal afweek van de stijl die de RvT voor ogen stond.
Op zichzelf is het volgens de rechtbank geen probleem als een bestuurder en de RvT verschillende voorkeuren hebben. De bestuurder mag een andere kijk hebben op de manier waarop de RvT haar toezicht wil invullen. Het wordt pas problematisch als de bestuurder en de RvT dit verschil van inzicht niet kunnen overbruggen.
Zou de kunst van het tegenspreken het verschil van inzicht hebben kunnen overbruggen? Bijvoorbeeld door met de bestuurder te bespreken dat de RvT met haar visie op wat volgens haar goed toezicht is, juist beoogde de bestuurder meer in zijn professionele kracht en talent te zetten, dus door hem een ontwikkelingsrichting te bieden? En door het gezichtspunt onder ogen te zien dat RvT en bestuur onderling afhankelijk zijn? Dan kan diplomatie immers een kans krijgen.
Dat het ontslag overeind is gebleven komt door de toepassing van juridische techniek. De rechter categoriseert (uiteraard) eerst het partijdebat aan de hand van de vier aangevoerde ontslaggronden en onderzoekt zorgvuldig de feiten. Dit is een verfijnd procedé. De feiten moeten namelijk wél passen bij de aangevoerde ontslaggrond.
De stichting had vier ontslaggronden aangevoerd: verschil van inzicht, verstoorde arbeidsverhouding, disfunctioneren en in de vierde plaats een combinatie van deze omstandigheden (de zogeheten ‘cumulatiegrond’ van art. 7:669 lid 3 BW).
De rechtbank vond de eerste drie ontslaggronden ieder voor zich onvoldoende. Maar in samenhang bezien was het ontslag gerechtvaardigd. De bestuurder ontving de transitievergoeding en de cumulatievergoeding (maximaal de helft van de transitievergoeding). Een billijke vergoeding werd hem niet toegekend. Dat ging de rechter te ver gezien de wijze waarop de bestuurder had gehandeld.
Al met al kantje boord dus voor de stichting.
Vindt u dit een waardevol artikel, deel dit dan met anderen!